WELKOM/BIENVENUE

Posted: April 17, 2014 in Uncategorized

Welkom ! – Bienvenue !
Posted: August 6, 2013 in Uncategorized

1

Welkom op mijn blog die aan mijn boek “De moord op RWAGASORE, de Burundese Lumumba” gewijd is.
Het boek is zowel in het Frans als het Nederlands uitgegeven.

Bienvenue sur mon blog, consacré à mon livre “L’assassinat de RWAGASORE, le LUMUMBA Burundais“. Il est à noter que le livre est sorti aussi bien en édition francophone qu’en édition néerlandophone.

Advertisements

/Het duale land
Rwanda, twintig jaar later

Juli 1994. Op de velden zijn de maïs en de bonen plukkensklaar maar er is niemand om zich ermee te voeden. Een rijpe oogst in een leeg land. In Kigali ligt er een schedel in de goot. Je wandelt vrij rond op de tarmac van de luchthaven. Ze herstelt nog van de beschietingen en de evacuatie van buitenlanders enkele weken daarvoor. In een uithoek staat een onbestemd Amerikaans legervliegtuig geparkeerd.
Juli 2012. Onderweg van Bujumbura naar Entebbe breng ik acht uur door op de luchthaven van Kigali. Een hostess bezorgt me een persoonlijke ontvangst. Ze heeft mijn instapkaart voor de vervolgvlucht bij de hand, leidt me naar de plek waar ze mijn handbagage scannen en legt me uit dat ik voor 20$ aan de slag kan in een afzonderlijke ruimte. Wifi, computeradapter, eten en drinken inbegrepen. Telkens als er een vliegtuig opstijgt, komt de vrouw aan het onthaal me bezorgd vragen of het toch niet het mijne is. Zelden tijdens een transitdoortocht zo’n efficiënte en vriendelijke begeleiding meegemaakt. Ik kan me voorstellen dat zakenlui en investeerders, diplomaten, toeristen en toevallige passanten met een positief vooroordeel het land binnentrekken.

De zichtbare opleving

Mijn laatste, echte bezoek aan Rwanda dateert van zeven jaar geleden. Toen al stond ik te kijken naar de veranderingen. In sommige delen van Kigali waren plekken waar ik ooit moeiteloos naartoe reed niet meer terug te vinden. Nieuwe wijken met spiksplinternieuwe woningen vertroebelden mijn geheugen. Een stad op weg om haar dorpse karakter voorgoed te vergeten.
Kigali heeft ooit opengelegen om er glasvezelkabels aan te leggen, omdat Rwanda uit wil groeien tot de ICT-hub van Oost-Afrika. In het hele land zijn de inwoners verplicht om het strooien dak van hun huis te vervangen door golfplaten. Als je in de buurt van Ruhengeri naar de berggorilla’s gaat kijken, kom je in een circuit van luxe-toerisme te recht, met torenhoge toegangs- en verblijfprijzen. Wie er op de luchthaven landt, krijgt via de intercom de waarschuwing dat je plastic zakken achter moet laten, want verboden.
Het zijn stuk voor stuk voorbeelden, grote en kleine door elkaar, van hoe de Rwandese overheidn niets onverlet laatn om duidelijk te maken dat hun land mee is met de moderne wereld en dat de nasleep van de genocide, die Rwanda economisch naar het stenen tijdperk teruggezet had, evengoed als de volkerenmoord zelf verleden tijd is. Op twintig jaar tijd ! Een prestatie om u tegen te zeggen. Bijna te mooi om waar te zijn.

Economische groei met de smaak van kruitdamp

Het is ook te mooi om waar te zijn. Straatarme Twa hadden plots geen dak meer boven het hoofd, zelfs niet van stro. Dat kun je nog afdoen als een goedbedoelde maar slecht gevallen maatregel. Die vlieger gaat niet op voor Coltan city. Zo heet een van de oogverblindende wijken in Kigali, volgebouwd door de elite van het RPF, het Rwandees Patriottisch Front dat na de genocide aan de macht gekomen is. Aan de uitvoer van coltan, dat uit Congo gesmokkelde mineraal, hebben ze grof geld verdient. Al van de jaren negentig organiseert Rwanda vakkundig de illegale exploitatie in het oosten van zijn buurland. Rapporten van experts van de Verenigde Naties signaleren van bij de start dat de Afrikadesk van het leger die operatie stuurt. Sindsdien steunt de nieuwe rijkdom van Rwanda en de financiering van het conflict in Oost-Congo op grondstoffen als coltan, wolfraam en nikkel, goud en diamanten, koper en kobalt. Statistieken geven aan dat Rwanda veel meer tin uitvoert dan het zelf produceert.
Rwanda verzekert zich van de aanvoer door de Kivu’s militair te controleren. Enkele jaren heeft het dat gedaan door zijn eigen leger in te zetten en al bijna twintig jaar roept het er rebellengroepen in het leven. In afwezigheid van zijn eigen soldaten klaren zij als personnes interposées de klus.
Ook de M23, afgelopen november verslagen door een internationale interventiemacht met blauwhelmen uit Malawi, Tanzania en Zuid-Afrika, bijgestaan door het Congolese leger, is een van die bewegingen. Opnieuw, en voor de zoveelste keer, brengen VN-experts overtuigende en omstandige getuigenissen over de betrokkenheid van het Rwandese leger en dus van de hoogste instanties in het land. De militaire ondersteuning, met wapens, manschappen en training, én bijstand op het terrein, is onweerlegbaar.
Alsof de geschiedenis zich herhaalt, ontkent Rwanda straal elke betrokkenheid. Zoals bij alle voorgaande gelegenheden. Telkens en telkens weer. Tegen beter weten in. Wie te hard op dat pijnpunt hamert, krijgt van de roe. Voor de Belgische VN-expert, Bernard Leloup, geen visum meer voor Rwanda.
Toch valt het niet te ontkennen dat de economische groei – het streven is 11,5% over vijf jaar, vanaf 2013, gemiddeld ! -, zijn wortels heeft in de plundering van buurland Congo. Rwanda doet de genocide vergeten door op een ander de lont in het kruitvat te steken.
Een neveneffect van het fenomenale herstel is de groeiende ongelijkheid. Zoals overal ter wereld en zeker in de nieuwe economieën – denk aan Brazilië, China en Zuid-Afrika – gaat de groei gepaard met een verdieping van de kloof tussen arm en rijk. Ook in Rwanda groeit het verschil tussen Kigali, dat geleidelijk aan de allure van een grootstad aanneemt, en de heuvels. Niet dat ze daar stagneren maar de vooruitgang is er flink trager. Daarop ent zich het fenomeen dat Kigali een Tutsistad is en Hutu voornamelijk de heuvels bevolken. Gewild of ongewild, hoe dan ook een niet te verwaarlozen etnische factor. Zelfs in een land waar dat onderscheid officieel niet meer ertoe doet.

Een dictatuur zonder schaapsvacht

Dat Rwanda zich in Centraal-Afrika opwerpt tot militaire macht nummer één en van die positie gebruik maakt om economisch te boomen, daarbij blijft het niet. Op de keper beschouwd is zijn aanpak op dat vlak, rücksichtslos op zijn doel afstevenend – economische exploitatie voor het eigen profijt -, geen vorm van geweld schuwend en zonder aanzien des persoons, een afspiegeling van hoe het regime in Kigali zich in het algemeen gedraagt.
Regime, zo heet dat. De internationaal gecontesteerde of eenvoudigweg niet gemonitorde verkiezingen zonder echte opposanten waren schertsvertoningen. Als Victoire Ingabire Paul Kagame uitdaagt bij de presidentsverkiezingen gaat ze de cel in. Achteraf veroordeelt de rechter haar tot vijftien jaar, o.m. omdat ze de genocide geminimaliseerd heeft. Kritiek op het regime krijgt steevast dat etiket opgeplakt. Laat ik dus duidelijk zijn : de door het Hutu-bewind van president Habyarimana en zijn omgeving in 1994 georganiseerde volkerenmoord op, algemeen aangenomen, zo’n 800.000 Tutsi was een van de grootste misdaden van de twintigste eeuw, zo niet van de geschiedenis. Gelezen ? Kunnen we voortgaan.
Op oudejaarsavond vorig jaar wordt in een hotel in Johannesburg Patrick Karegeya gewurgd teruggevonden, jarenlang hoofd van Rwanda’s buitenlandse veiligheidsdienst en als dusdanig lid van Kagame’s inner circle. Karegeya is niet de enige die met de president gebroken heeft, wel een van de belangrijkste. Een man die veel wist, een hinderlijk iemand. Naar verluidt was hij het die de VN-interventiemacht gebriefd heeft bij haar succesvolle optreden tegen de door Rwanda gesteunde M23.
Dat soort zelfverklaarde opposanten loopt gevaar voor zijn leven, dat is bekend. Het onderzoek is nog niet achter de rug maar dat Zuid-Afrika vier Rwandese diplomaten het land uitgestuurd heeft, spreekt boekdelen. “Die activiteiten hebben individuen gecoördineerd en mogelijk gemaakt, die misbruik maken van hun diplomatieke status”, heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken laten weten, verwijzend naar de moord en aanslagen op andere Rwandese opposanten. In Zuid-Afrika voelen ze met hun klompen aan wie er achter de misdaad zit.
Het laat Stephen Smith, gezaghebbend Frans journalist en nu lector aan Duke University in North Carolina schrijven : “There is no place that Kagame would not strike. And he does it so bare-faced. Any Mobutu or Idi Amin Dada looks like an apprentice in comparison, because at least they had sort of red lines they would not cross.”
Eind januari is in Kigali het proces begonnen tegen zestien medestanders van Karegeya. Onder hen twee voormalige leden van de presidentiële wacht, Innocent Kalisa en Joël Mutabazi. Die laatste is volgens het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen illegaal weggehaald uit Oeganda, waar hij zijn toevlucht gezocht had. Ook Kalisa is volgens zijn familie afgelopen augustus ontvoerd in Kampala. Om maar te zeggen dat het Rwanda van Kagame geen respect opbrengt voor grenzen of internationale conventies.
Wie in Rwanda zijn mond opendoet, loopt evenzeer gevaar. Zo beklaagt Transparency International zich erover dat het onderzoek naar de moord op haar medewerker, Alain Mukuralinda, verleden jaar gewurgd teruggevonden in de buurt van het Kivumeer, niet opschiet. Mukuralinda deed onderzoek naar corruptie bij de politie. In de schoot van Liprodhor, Ligue rwandaise pour la promotion et la défense des droits de l’homme, heeft verleden jaar juli een putsch plaatsgevonden. Daardoor is de laatste overblijvende onafhankelijke organisatie die opkwam voor de rechten van de mens in Rwanda monddood gemaakt.
We zouden door kunnen gaan met andere voorbeelden maar laten we het hierbij houden. Human Rights Watch komt in een recent rapport tot het volgende besluit : “ The Rwandan authorities should also bring to justice RPF members responsible for carrying out or ordering war crimes or crimes against humanity in 1994, and ensure that families of the victims of these crimes, as well as witnesses, are able to speak freely about these events without fear for their security.” Dat vat veel samen. Onze conclusie ligt voor de hand : Rwanda is niet eens een schijndemocratie maar een met harde hand geleid autoritair land dat geen enkele vorm van gewelddadig en repressief opreden schuwt.

De onaantastbaarheid van Kagame

Lange tijd is Kagame de chouchou geweest van in de eerste plaats de Amerikanen en de Britten. Zij zagen in hem een van Afrika’s nieuwe leiders die bewees dat je op korte tijd een door volkerenmoord getroffen land om kunt toveren tot een Afrikaanse tijger. Samen met een flinke portie genocidedividend maakte dat Kagame intouchable. Het leek erop dat hij zich vrijwel alles kon permitteren.
Daarin is de laatste tijd de klad gekomen. Vanwege het optreden van Rwanda in Oost-Congo zijn er sancties genomen, ook door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Kleine, op het eerste gezicht onbeduidende maatregelen, maar ze hebben effect gehad. Een, toegegeven, ongenuanceerde uitspraak als “alleen Obama kan de oorlog in de Kivu’s stopzetten” blijkt een grote grond van waarheid te bevatten.
Het is niet alleen de internationale pressie die het hem doet. Voeg daaraan de interne dissidentie toe, genre Kareyega maar hij is niet de enige. Denk ook aan de gespierde operatie van door de Monusco-blauwhelmenmissie ingehuurde Afrikaanse soldaten. Er zijn verscheidene gegronde redenen om aan Kagame’s houdbaarheid te gaan twijfelen.
Natuurlijk heb je doemdenkers die Kagame nooit een lievelingetje gevonden hebben en voor hun thesis spijkerharde argumenten op tafel leggen. In hun ogen moeten het overwicht van de uit de diaspora afkomstige leiding van het land, de onwil om eigen misdaden onder ogen te zien, de nostalgisch naar het Oost-Europa van eertijds neigende geslotenheid van het regime wat democratie en mensenrechten betreft en de opgelegde, eenzijdige verzoening op de duur tot een uitbarsting leiden. Maar tijd heelt wonden, dat is één, en de onmiskenbaar toegenomen welvaart, hoe slecht verdeeld ook, overtuigt er misschien velen om de huidige constellatie te aanvaarden boven een alweer drastische ommezwaai. Hoewel, één ding is zeker : in Afrika zijn er geen tijgers.

“Over België ? Vraag maar raak”, zei ik de eerstejaars journalistiek in Hoima, een provinciestad in het westen van Oeganda, overtuigd dat ze de koning ter sprake zouden brengen. Of de etnische twisten in België, waar een wereldrecord regeringsvorming in de maak was. Alleen vragen over het homohuwelijk kwamen op me af. Toen ik uitlegde waarom ik pro was, las ik op hun gezicht de verachting af voor de flikker die er op ze afgestuurd was. Dat was vier jaar geleden.
Een jaar daarvoor was er een aidsconferentie in de hoofdstad Kampala. Homo’s manifesteerden er voor hun rechten. Op de redactie van het radiostation Vision Voice was er discussie. “Brengen we niet”, zei een groep, “wat zij doen, is tegen de wet”. Ze verloren het pleit. ’s Avonds was de reportage te beluisteren.
Of dat nu nog zou kunnen, is te betwijfelen. Vanaf 2009 jaagt de antihomolobby de discussie aan in het parlement om de straf op homo-zijn te verzwaren. Voortaan moeten en zullen ze de doodstraf krijgen. Eergisteren is president Museveni overstag gegaan en heeft hij de wet ondertekend. Vijf jaar heeft hij dwars gelegen. Onder internationale druk, zeker, maar hij hield de wet toch maar mooi tegen. Met als argument dat homoseksualiteit een ziekte is. Hij zou beter eerst zijn mond wassen, zeker, maar ik vond hem toch een verdraaid gewiekst politicus. Hij stond aan hun kant, liet hij uitschijnen, maar de wet mochten ze in hun … stoppen. Museveni die zwicht voor de straat, hij daalt fel in mijn achting.
Toen ik verleden maand in Oeganda was, las ik in de Daily Monitor, Oeganda’s beste krant, een opiniebijdrage van ene Peter Mulira. Hij legt uit waarom ze in het westen op basis van wetenschappelijk onderzoek homo’s als normale mensen beschouwen. ’s Anderendaags een lezersbrief van Mulira in hetzelfde blad. Hij was bedolven, schrijft hij, onder een vloed van e-mails, die hem verwijten sodomie te verdedigen. Beschuldigingen van satanisme en goddeloosheid kreeg Mulira, “die met het lage IQ”, te slikken.
Je staat ervan versteld dat in een samenleving als de Oegandese, die je met de dag moderner ziet worden, antihomotendensen plots zo’n gewicht krijgen. Een Oegandese collega laat me weten : “Dat komt ervan als het westen zijn ideeën opdringt en donoren ermee dreigen om de samenwerking stop te zetten. Die hype roept forse weerstand op.” Om over na te denken. Je ziet het op meer terreinen. Overtuigd van zijn gelijk vraagt het westen respect voor sociale en vrouwenrechten, mensenrechten in het algemeen en goede milieupraktijken. De underdog voelt zich betutteld en valt terug op diep gewortelde culturele en maatschappelijke waarden of godsdienstige overtuigingen, soms aangezwengeld door evangelische predikanten.
Uiteindelijk heeft het westen in Oeganda het tegenovergestelde bereikt van wat het wou. In plaats van homo’s hun vanzelfsprekende rechten te garanderen, zijn ze vanaf gisteren de schietschijf van gay bashers die het gebruik van geweld niet schuwen. De 61 die de tabloid Red Pepper oplijst, mét foto, hangt boven het hoofd wat David Kato, drie jaar terug vermoord als homomilitant, overkwam. Het westen draagt geen schuld, begrijp me goed, maar het moet nadenken over zijn strategie om warm gekoesterde waarden en vrijheden wereldwijd in te bedden.

Congo/Forrest/DeMorgen160414

Posted: April 17, 2014 in Uncategorized

George Forrest, Koper-Koning van Congo

Dat was ooit de titel boven een artikel in MO*. Met op de kaft een cartoon van George Forrest, een luipaardmuts op het hoofd, een knipoog naar zijn verleden van samenwerking met Mobutu. Daarvoor heeft de rechter het magazine veroordeeld. De nieuwbakken Grootofficier in de Kroonorde is lichtgeraakt. Oppassen wat we schrijven of De Morgen en deze opiniemaker hebben een proces aan hun broek.
Ontmoet heb ik hem één keer, de legendarische tycoon uit Katanga. Gesproken nauwelijks, op enkele zinnen na, om het ijs te breken. Het waren de liberale prominenten rondom hem die hem lieten ontdooien. Lieden als Louis Michel waren dol op hem. Pierre Chevalier komt na zijn ontslag als staatssecretaris aan de bak als afgevaardigd bestuurder in ondernemingen van Forrest. Als de consul in Lubumbashi de Delcrederedienst een ongunstig advies over een krediet voor Forrest uitbrengt, ligt dat document die dag nog op zijn bureau. Hij kan op steun in Brussel rekenen, de mijnindustrieel. Af en toe loop je hem daar tegen het lijf. Als er wat te doen is rond Congo of Burundi, o.m. toen oud-president Buyoya in het Egmontpaleis zijn boek voorstelde. Keuvelen met hoge heren, netwerken. Kan altijd van pas komen.

Beschuldigingen

In 2002 stellen deskundigen die voor de VN de illegale exploitatie van rijkdommen in kaart brengen dat Forrest boter op het hoofd heeft. Toen hij PDG van het staatsbedrijf Gécamines was, is er met zijn eigen firma’s onderhandeld over contracten waarmee ze Gécamines’ activa voor persoonlijk gewin in konden zetten. Forrest ontkent furieus voor de senaatscommissie Grote Meren.
Vier jaar later zet MO* auditors aan het werk om een decreet uit te pluizen waarmee president Kabila de facto de ontginning van de kopermijn van Kamoto en de fabriek van Luilu toevertrouwt aan een onderneming uit de stal van Forrest. Ze stellen vast dat alle voordelen naar Forrest gaan en zowel de staat als de Congolezen bekaaid ervan afkomen. Forrest trekt naar de rechtbank.
Gauw op zijn teen getrapt ? Dat is het minste wat je kunt zeggen. Er zit een systeem achter de reacties van de koper-, kobalt- en germaniummagnaat. Wie er de vinger op de wonde legt en aangeeft dat Forrest aanpapt met de jonge Kabila om een graantje mee te pikken, als die de kroonjuwelen van zijn land in de uitverkoop zet, mag rekenen op een frontale tegenaanval. Forrest is lid van de Onaantastbaren en die club houd je een hand boven het hoofd.

Zwanenzang

De status die Forrest ooit verworven had aan het Hof van Kabila is hij kwijt. Op de keper beschouwd is hij in de mijnbusiness een kleine speler die zijn kansen greep in de periode dat de majors geen brood zagen in het onstabiele en corrupte Congo. De laatste jaren vertonen Chinese bedrijven belangstelling en zijn er kapers op de kust verschenen die meer in hun mars hebben dan de kleine Forrest. Zoals de Israëliër Dan Gertler, die de grondstoffenroof op zulk een reuzenschaal organiseert dat de Forrestgroep op een banzai-imperium lijkt.
In 2012 heeft de Brit Eric Joyce, Lagerhuislid voor Labour, berekend dat Congo op vier jaar ruim 5,5 miljard $ erbij ingeschoten heeft door bezittingen tegen spotprijzen te verkopen. 45 mijnondernemingen met zetel op de Maagdeneilanden hebben in Congo activa in handen gekregen. Geen enkele heeft ervaring in de sector. Het lijkt erop, schrijft Joyce, dat onder de bewuste firma’s er verscheidene afhangen van Gertler.

Reconversie

Forrest heeft eieren voor zijn geld gekozen. Hij heeft zijn economische bedrijvigheid gediversifieerd naar openbare werken, legt wegen aan en bouwt bruggen, is actief in de voedingsindustrie, de luchtvaart, de transport- en de energiesector, de cementnijverheid en de fabricatie van wapens. Wikileaks suggereert in 2010 dat Forrest uranium afzondert bij de ontginning van koper en kobalt. Forrest ontkent, wat dacht u ?
De Stichting George Arthur Forrest ondersteunt de invoering van laparoscopie, kijkonderzoek in de buikholte, in het Panzi-ziekenhuis in Bukavu. Daar heeft Dr. Mukwege de leiding, die in 2011 de Koning Boudewijnprijs gekregen heeft. Forrest weet hoe hij goed moet liggen bij de hoogste kringen in dit land.
Grootofficier in de Kroonorde heeft het hem gemaakt. Net zoals Jean-Pascal van Ypersele de Strihou, universeel gewaardeerd klimaatdeskundige. De keuze van het Hof. Tja.

Archive for August, 2013

Welkom ! – Bienvenue !
Posted: August 6, 2013 in Uncategorized

1

Welkom op mijn blog die aan mijn boek “De moord op RWAGASORE, de Burundese Lumumba” gewijd is.
Het boek is zowel in het Frans als het Nederlands uitgegeven.

Bienvenue sur mon blog, consacré à mon livre “L’assassinat de RWAGASORE, le LUMUMBA Burundais“. Il est à noter que le livre est sorti aussi bien en édition francophone qu’en édition néerlandophone.

Edit

Rwagasore-Roi Baudouin
Posted: August 6, 2013 in Uncategorized

0

(publié sur le site web http://www.mo.be, le lien étant

http://www.mo.be/fr/artikel/assassinat-au-burundi

Le Roi Baudouin au créneau pour les démocrates-chrétiens
Assassinat au Burundi
Guy Poppe
– Traduction par Lotte Raeijmakers et Patrick Jonniaux

Le 13 octobre 1961 le Grec Jean Kageorgis assassine le Premier ministre burundais Louis Rwagasore, fils de mwami Mwambutsa, le Roi du Burundi. Quelques semaines auparavant, le prince Rwagasore et son parti Uprona ont remporté les élections. Après examen des archives des Affaires étrangères, Guy Poppe a constaté en 2011 déjà, dans son livre L’assassinat de RWAGASORE, le LUMUMBA Burundais, une implication belge qui n’a jamais été révélée. Un document est particulièrement important : celui que le Roi Baudouin envoie au ministre des Affaires étrangères Paul-Henri Spaak. Il mentionne que le 21 septembre, lors d’une réunion trois jours après les élections, Roberto Regnier, le résident du Burundi à l’époque, affirme ouvertement qu’il veut la mort de Rwagasore : « il faut tuer Rwagasore ».
Côté belge, il n’y eut aucune réaction officielle à ces révélations. MO* entre dans les détails de la connexion belge. Guy Poppe découvrit des sources dans les archives de feu Regnier et dans celles de Mwambutsa. Elles contiennent des indices confirmant la thèse que Baudouin a voulu mettre la démocratie chrétienne, qui n’avait pas la conscience tranquille, à l’abri des soupçons. Raison de plus pour examiner enfin l’affaire à fond, après plus de cinquante ans.
C’est une curieuse lettre que le chef de cabinet de Baudouin, André Molitor, écrit le 26 juin 1962 au chef de cabinet de Paul-Henri Spaak, Robert Rothschild. En annexe se trouve un document anonyme de dix pages. L’auteur, qui est compétent en la matière, mentionne une réunion lors de laquelle le résident Regnier, face à des fonctionnaires de tutelle haut placés, prononce au vu et au su de tous les invités les mots « il faut tuer Rwagasore ». Cinq jours plus tard, le 1er juillet, le Burundi accède à l’indépendance et le Roi sait que Paul-Henri Spaak veut que l’assassin de Rwagasore soit exécuté avant cette date. Baudouin veut persuader le ministre de gracier Kageorgis et de commuer sa peine capitale en réclusion à perpétuité. Des tentatives précédentes se sont soldées par un échec. En dernier ressort, le Roi n’hésite pas à faire parvenir à Paul-Henri Spaak un rapport anonyme qui accable la Belgique. Il dévoile tout, notamment un jugement impitoyable du résident, qui représente la plus haute instance dans ce territoire de tutelle. Comme si Baudouin voulait rappeler à Paul-Henri Spaak que la Belgique porte la responsabilité de l’assassinat de Rwagasore et qu’il ne serait pas convenable que seul l’homme qui a appuyé sur la détente soit condamné.
Lacunes
À la lumière du dossier judiciaire dans l’affaire Rwagasore, il apparait que le parquet de Bujumbura n’a jamais interrogé Regnier, ni Harroy, le résident général du Ruanda-Urundi. Même si 48 heures après l’assassinat, immédiatement après son arrestation, l’un des conspirateurs a fait une déclaration dans laquelle il signale l’engagement possible de Harroy. Ce n’est que pendant le procès en appel en avril 1962, que le témoin-clé Madame Belva et Regnier s’affrontent. Le tribunal considère ses dires comme des boutades prononcées à la légère et en tient compte à titre de circonstance atténuante. L’affaire est close. L’assassin, ses complices et les autres conspirateurs, ont été appréhendés et punis. La justice ne revient plus sur des pistes qui indiquent une complicité belge.
Dans mon livre je suis parvenu à la conclusion, sur la base des lacunes de l’enquête, que «“il est plus qu’évident que la justice burundaise, à l’époque entièrement entre les mains des Belges, a passé soigneusement sous silence tout ce qui concerne les Belges, qu’ils soient actifs en métropole ou au Burundi. Il y a trop d’indices pour accepter que toutes ces pistes n’auraient mené à rien. »

A l’heure actuelle j’ai pu mettre la main sur des pièces qui peuvent éclaircir le rôle de l’autorité de tutelle belge dans l’affaire Rwagasore, notamment celui de Regnier. Dans ses archives nous avons trouvé trois documents de sa main. Le premier date du 20 avril 1962. Il revient sur son témoignage devant la cour d’appel l’avant-veille, la première fois qu’il a été obligé de commenter les propos qu’il avait tenus immédiatement après les élections. Le deuxième document date du 2 juillet, quelques jours après que le parquet de Bruxelles l’a interrogé. Ces interrogatoires ont lieu le jour de l’exécution de Kageorgis et la veille, en d’autres mots : assez tardivement pour qu’elles ne produisent plus aucun effet. Les procès-verbaux n’ont pas été divulgués jusqu’à présent. Au moins 25 ans après ces évènements, Regnier a en outre pris des notes non datées. Elles peuvent être écrites au plus tôt en 1987, parce qu’il cite les mémoires de Harroy concernant le Burundi. Mémoires qui ont été publiés au cours de cette année.
Ces documents nous fournissent un témoignage posthume du résident. En outre j’ai déniché des informations des archives de Mwambutsa, notamment des comptes-rendus du témoignage de Regnier devant la cour d’appel. J’ai également parlé avec des témoins de cette période. Ils ont clarifié certains aspects de l’affaire.
L’argumentation de Regnier
« J’ai prononcé les mots “Il faut tuer Rwagasore” » C’est ainsi que Regnier achève ses notes du 2 juillet. Mais il esquisse également le contexte de ses propos. À la réunion du 21 septembre il veut décider avec tous ceux qui étaient présents, tous des Belges, comment ils réagiront à la victoire électorale, à laquelle la tutelle ne s’attendait pas. Le désarroi est à son comble. L’autorité de tutelle était favorable à une victoire des adversaires de Rwagasore, qu’elle avait soutenus financièrement. Regnier signale la réputation détestable dont jouissait Rwagasore. Ceci explique pourquoi pendant la campagne on a fait des remarques malheureuses dans le genre de « ce serait un bon débarras » et des comparaisons comme « un nouveau Lumumba ». Il les appelle des boutades imprudentes mais anodines, prononcées avant les élections et jamais devant des Burundais.
Regnier présente trois scénarios aux fonctionnaires. La liquidation du prince y occupe une place essentielle. Non pas en tant que mission formelle, mais en tant qu’élément d’une possible solution pour se débarrasser de Rwagasore. Le résident lui-même est partisan de l’idée de se mettre à la disposition du nouveau gouvernement. Aussi choisit-on ce scénario.
Bref, même si la résistance à l’égard de Rwagasore avant les élections a été forte et même si on est accablé par sa victoire, l’autorité de tutelle amorce un tournant le 21 septembre et accepte le bouleversement électoral. Regnier convainc les adversaires du prince de faire de même. Ses propos imprudents (dixit Regnier) « Il faut tuer Rwagasore » relèvent d’un chapitre clôturé. Regnier tourne la page.
L’énigmatique Savine Belva
Il a fait un mauvais calcul en oubliant madame Belva. Elle est la secrétaire de Jean Ntidendereza, l’adversaire politique le plus important de Rwagasore, qui mènera le bal contre celui-ci dans la conspiration. Par ailleurs, Belva est plus que la collaboratrice de Ntidendereza et leur relation rend la façon d’agir de la femme compréhensible. Belva discrédite Regnier. Un dimanche après-midi fin octobre 1961, quelques jours après l’assassinat, elle se rend auprès du substitut Jacques Bourguignon, qui mène l’investigation et qui plus tard occupera la fonction de procureur du Roi en première instance. Elle le met au courant des propos de Regnier, mais elle ne fait pas de déclaration officielle. Bien que Bourguigon en discute avec Regnier, il n’existe pas de note, et encore moins un procès-verbal.
Pendant la séance de la cour d’appel du 18 avril, Belva revient sur le propos de Regnier. Elle admet toutefois que celui-ci s’est tenu en petit comité, parmi des Européens, ce qui incite les juges à se montrer plus indulgents. Ensuite, constate Regnier, elle change de cap. Elle le prie de transférer Ntidendereza en Belgique pour qu’il puisse y purger sa peine. Elle lui annonce que, si elle essuie un refus, elle compromettra Harroy comme Regnier (« Je mettrai la tutelle dedans »). Deux mois plus tard Belva accuse Regnier d’avoir émis une injonction en sa présence et celles d’autres fonctionnaires. Une injonction qui doit s’entendre comme une nécessité absolue (« Elle m’a accusé d’avoir émis une injonction formelle, à la cantonade (…) se ramenant à un impératif catégorique : ‘Il faut tuer Rwagasore’ »). Belva suppose que ces mots ont dû être répétés, que quelqu’un a pu les entendre, les prendre pour un ordre et passer à l’exécution. « Il faut tuer Rwagasore », ces propos poursuivent Regnier.
La démocratie chrétienne en action
Retour à la note anonyme que Baudouin envoie à Paul-Henri Spaak. Le Roi joint sa voix à un texte dans lequel toute nuance a disparu et qui met en évidence les paroles de Regnier. Ce qui saute aux yeux, c’est que sa version de ce dernier importe peu. L’auteur de la note la néglige, bien qu’elle soit connue au moins partiellement, étant donné que Regnier avait été cité à la barre au procès d’appel. L’auteur de la note ne se donne guère la peine de tenir compte du contexte dans lequel le résident a prononcé ces mots. Pas plus que les conseillers de Baudouin, d’ailleurs. Après que celui-ci a personnellement pris la plume, une tentative vaine, ils n’hésitent pas à utiliser une pièce anonyme pour sauver la peau de Kageorgis, même si Regnier doit servir de bouc émissaire. Il faut coûte que coûte que l’on gracie l’assassin. Que se passe-t-il ?
Avant tout un mot au sujet de Robert Scheyven, l’ancien résident. Dans mon livre, j’ai démontré qu’il est l’auteur de ce document. Il est le descendant d’une famille enracinée dans la démocratie chrétienne. Son cousin Raymond fut ministre dans le gouvernement Eyskens jusqu’en 1960, chargé des affaires économiques et financières du Congo belge et du Ruanda-Urundi. À cette époque, le Parti Social-Chrétien, encore unitaire, était de loin la plus grande formation politique, avec des ramifications à tous les niveaux de la société et de la Cour.
Ntidendereza, le cerveau du complot, est lui aussi démocrate chrétien, étant le leader du Parti Démocrate Chrétien, le parti frère au Burundi du PSC belge. Jusqu’à la défaite électorale de septembre 1961, ce parti et l’alliance du Front Commun construite autour de lui soutiennent le gouvernement burundais. Le frère de Ntidendereza, Joseph Biroli, l’un des autres conspirateurs contre Rwagasore, occupe tout comme lui un rôle primordial dans la démocratie chrétienne burundaise.
Le dossier judiciaire contient d’autres signes d’une implication d’hommes politiques de la démocratie chrétienne. Dans un témoignage écrit et détaillé, Max Vanderslyen, le partenaire économique et politique de Rwagasore, réfère à des fonctionnaires de tutelle, une banque et une personnalité politique belge comme des piliers et des bailleurs de fonds du PDC de Ntidendereza. Vanderslyen écrit que jusqu’à quelques jours avant l’assassinat des sommes importantes ont été transférées. Toutefois, lorsqu’il accuse un homme politique démocrate chrétien, il ne cite pas de nom. Qui lit bien sa déclaration, comprend qu’il vise une personne haut placée dans la démocratie chrétienne belge, quelqu’un qui en amont de l’indépendance de la colonie et des territoires de tutelle s’intéressait à l’Afrique Centrale, en raison soit de sa fonction, soit de ses liens familiaux. Il est vrai que Vanderslyen est une personnalité douteuse. Néanmoins, le fait qu’aucune suite n’a été donnée à son témoignage est une lacune de plus dans l’enquête.
Autrement dit, il y a abondance d’indices confirmant l’hypothèse que la démocratie chrétienne a instrumentalisé Baudouin, ayant des raisons importantes pour étouffer l’affaire. Le fait que dans l’offensive définitive elle ait carrément utilisé la « boutade » de Regnier contre lui, en est la confirmation.
Plaidoyer pour une nouvelle commission Lumumba
Rien n’est certain à cent pour cent. Cela est dû principalement aux défauts dans l’enquête judiciaire, mais aussi au fait que tous les documents qui peuvent éclaircir cette affaire n’ont pas encore surgi. Toutefois, grâce à l’analyse des notes de Regnier et des sources complémentaires, je suis capable d’affiner mes idées. Les erreurs que le parquet a commises ont surement dissimulé l’implication de l’autorité de tutelle, comme on le savait déjà. A l’heure actuelle, nous sommes certains qu’elles ont évité que la démocratie chrétienne ne soit démasquée. A la suite de ses manœuvres dans la partie d’échecs politique, c’était à Baudouin de jouer. Il est impossible de discerner s’il était plus qu’un pion, mais il est bien clair qu’il s’est acharné en s’acquittant de sa mission.
Pour que l’affaire soit claire, des documents qui jusqu’ici n’ont pas été divulgués, comme les procès-verbaux des interrogatoires de juin 1962, doivent être rendus publics. Par ailleurs, les intéressés qui sont encore en vie, comme le procureur Bourguignon et Etienne Davignon, la main droite de Paul-Henri Spaak dans le dossier Burundi, doivent témoigner sous serment. La méthode la plus évidente serait une enquête parlementaire, d’après le modèle de la commission Lumumba. Il est grand temps qu’on l’érige. L’enquête qu’a menée la Chambre au début du siècle sur le rôle de la Belgique dans l’assassinat du premier ministre de Congo a, une fois pour toutes, généré la transparence. A présent, les Congolais sont au courant de ce qui s’est déroulé le 17 janvier 1961 au Katanga, quels en sont les antécédents, et quel est la responsabilité de la Belgique dans cette affaire. Les Burundais ont droit aux mêmes informations sur ce qui s’est passé le 13 octobre de la même année à Bujumbura.
Aussi, je plaide pour que la commission de vérité et de réconciliation au Burundi fasse débuter la période à examiner plus tôt que prévu dans la proposition de loi introduite au parlement. Le texte actuel la fait commencer au 1er juillet 1962, jour de l’indépendance du Burundi. La commission est ainsi privée de la possibilité d’étudier les circonstances de l’assassinat du premier ministre Louis Rwagasore, commis le 13 octobre 1961. Ce serait une occasion manquée.

Edit

Rwagasore/Koning Boudewijn
Posted: August 6, 2013 in Uncategorized

0

(GEPUBLICEERD IN MO*, JUNI 2013)
ESSAY
door Guy Poppe
Moord in Burundi
Koning Boudewijn op de bres voor de christendemocraten
De Belgische resident getuigt postuum over de moord op Louis Rwagasore, “de Burundese Lumumba”. Wat was de rol die België daarin gespeeld heeft?

Op 13 oktober 1961 vermoordt de Griek Jean Kageorgis de Burundese eerste minister Louis Rwagasore, zoon van mwami Mwambutsa, koning van Burundi. Prins Rwagasore heeft met zijn partij Uprona enkele weken daarvoor de verkiezingen gewonnen. Op basis van het archief van Buitenlandse Zaken kwam Guy Poppe in 2011 in zijn boek De moord op Rwagasore, de Burundese Lumumba al tot de vaststelling dat er een onder de radar gebleven Belgische betrokkenheid is bij die moord. Belangrijk is een document dat koning Boudewijn minister van Buitenlandse Zaken Spaak toestuurt. Daarin staat dat de toenmalige resident van Burundi, Roberto Regnier, op 21 september, op een vergadering drie dagen na de verkiezingen, ronduit stelt dat Rwagasore dood moet, ‘il faut tuer Rwagasore’.
Aan Belgische kant is een officiële reactie op die onthullingen tot dusver uitgebleven. Op die Belgische connectie gaat MO* verder in. Guy Poppe boort bronnen aan uit het archief van wijlen Regnier en dat van Mwambutsa. Ze bevatten aanwijzingen voor de stelling dat Boudewijn de christendemocratie, die boter op haar hoofd had, uit de wind heeft willen zetten. Reden te over om de zaak na meer dan vijftig jaar eindelijk tot de bodem uit te zoeken.

Een merkwaardige brief schrijft de kabinetschef van Boudewijn, André Molitor, op 26 juni 1962 aan Spaaks kabinetschef, Robert Rothschild. Hij bevat als bijlage een anoniem document van tien bladzijden. Daarin maakt de goed ingevoerde auteur gewag van de vergadering waarop resident Regnier tegenover hoge voogdijambtenaren open en bloot de woorden ‘Il faut tuer Rwagasore’ uitspreekt. Vijf dagen later, op 1 juli, wordt Burundi onafhankelijk en de koning weet dat Spaak Rwagasore’s moordenaar voor die dag terechtgesteld wil zien. Boudewijn wil de minister overtuigen om Kageorgis gratie te verlenen en zijn doodstraf om te zetten in levenslang. Vorige pogingen zijn op niets uitgedraaid. Als ultieme redmiddel schrikt de koning er niet voor terug om Spaak een naamloos rapport te bezorgen dat België flink in zijn hemd zet. Hij haalt alles uit de kast, met name een vernietigende uitspraak van de resident, de hoogste instantie in dat voogdijgebied. Alsof Boudewijn Spaak eraan wil herinneren dat België verantwoordelijkheid draagt voor de moord op Rwagasore en het niet aangaat dat alleen de man die de trekker overhaalde moet hangen.
lacunes
Uit het gerechtelijke dossier in de zaak-Rwagasore blijkt dat het parket in Bujumbura Regnier nooit ondervraagd heeft. De resident-generaal voor Ruanda-Urundi, Harroy, evenmin. Ook al heeft 48 uur na de moord, meteen na zijn aanhouding, een van de samenzweerders een verklaring afgelegd waarin hij op diens mogelijke betrokkenheid wijst. Pas op het proces in beroep in april 1962 komt het tussen een kroongetuige, Madame Belva, en Regnier tot een confrontatie. De rechtbank bestempelt zijn uitlatingen als lichtzinnige boutades en neemt ze als verzachtende omstandigheid in aanmerking. Daarmee is de kous af. De moordenaar, zijn medeplichtigen en de overige samenzweerders zijn gevat en gestraft. Sporen die op Belgische betrokkenheid wijzen, laat het gerecht blauwblauw.
De lacunes in het onderzoek lieten me in mijn boek besluiten: ‘Je kunt er niet aan voorbij dat de Burundese justitie, op dat moment volledig in Belgische handen, alles wat Belgen impliceert, het doet er niet toe of ze in het moederland dan wel in Burundi actief zijn, zorgvuldig toedekt. En er zijn te veel aanwijzingen om er zomaar vanuit te gaan dat al die sporen nergens naartoe geleid zouden hebben.’
Ik heb nu de hand kunnen leggen op stukken die de rol van de Belgische voogdijoverheid in de affaire-Rwagasore belichten, meer bepaald die van Regnier. In zijn archief vinden we drie documenten van zijn hand. Het eerste dateert van 20 april 1962. Hij komt daarin terug op zijn getuigenis voor het hof van beroep twee dagen tevoren, de eerste keer dat hij verplicht was om openlijk zijn uitspraken van vlak na de verkiezingen toe te lichten. Het tweede document dateert van 2 juli, enkele dagen nadat het parket in Brussel hem ondervraagd heeft. Die verhoren vinden op de dag van Kageorgis’ executie plaats én de dag ervoor, anders gezegd: zo laat dat ze geen effect meer hebben. De processen-verbaal zijn tot nu toe niet vrijgegeven. Minstens 25 jaar na de gebeurtenissen heeft Regnier bovendien ongedateerde notities gemaakt. Ze kunnen ten vroegste in 1987 geschreven zijn, want hij citeert de memoires van Harroy over Burundi, die in dat jaar gepubliceerd zijn.
Met die documenten beschikken we over het postume getuigenis van de resident. Daarnaast heb ik informatie opgedolven uit het archief van Mwambutsa, nota bene verslagen over Regniers getuigenis voor het hof van beroep, en heb ik gesproken met getuigen uit die periode. Ze hebben me bij sommige aspecten van de zaak toelichting gegeven.
regniers betoog
‘Ik heb de woorden “Il faut tuer Rwagasore” uitgesproken.’ Zo rondt Regnier zijn aantekeningen van 2 juli af. Maar hij schetst ook de context van zijn bewoordingen. Op de vergadering van 21 september wil hij met de aanwezigen, allemaal Belgen, uitmaken hoe ze zouden reageren op de voor de voogdij onverwachte verkiezingsoverwinning van Rwagasore. De ontreddering is groot. De voogdijoverheid was voor een zege van Rwagasore’s tegenstanders, die ze financieel ondersteund had. Regnier wijst op de afschuwelijke faam die Rwagasore genoot. Dat verklaart dat er tijdens de campagne ongelukkige opmerkingen gemaakt zijn als ‘Dat zou een mooie opruiming zijn’ en vergelijkingen als ‘un nouveau Lumumba’. Onvoorzichtige maar onschuldige boutades, noemt hij ze, geuit vóór de verkiezingen en nooit in het bijzijn van Burundezen.
Regnier legt de ambtenaren drie scenario’s voor. In een daarvan staat inderdaad het uit de weg ruimen van de prins centraal, niet als een formele opdracht, maar als onderdeel van een oplossing om van Rwagasore af te raken, als de vergadering die richting uit zou gaan. Zelf is de resident er voorstander van om zich ten dienste te stellen van de nieuwe regering. Dat scenario wordt ook gekozen.
Kortom, hoe groot de weerstand tegen Rwagasore voor de verkiezingen ook was en hoe diep de malaise na zijn zege ook zit, de voogdijoverheid maakt op 21 september haar bocht en aanvaardt de electorale aardverschuiving. Regnier overtuigt de tegenstanders van de prins ervan om dat ook te doen. Zijn, zoals hij ze zelf noemt, ‘onvoorzichtige’ woorden ‘Il faut tuer Rwagasore’, maken deel uit van een afgesloten hoofdstuk. Regnier draait die bladzijde om.
de enigmatische Savine Belva
Dat is zonder de waard gerekend, madame Belva. Ze is de secretaresse van Jean Ntidendereza, de belangrijkste opposant van Rwagasore, die later in de samenzwering tegen hem aan de touwtjes trekt. Terloops, Belva is meer dan Ntidendereza’s medewerkster en haar relatie met hem maakt haar handelwijze begrijpelijk. Belva brengt Regnier in opspraak. Op een zondagmiddag eind oktober 1961, enkele dagen na de moord, gaat ze naar substituut Jacques Bourguignon toe, die het onderzoek leidt en daarna in eerste aanleg als procureur des konings optreedt. Ze brengt hem op de hoogte van Regniers uitlatingen, maar legt geen officiële verklaring af. Bourguigon praat erover met Regnier, maar ook van die ontmoeting zijn er geen notities, laat staan een pv.
Op de zitting van het hof van beroep van 18 april komt Belva terug op Regniers uitspraak. Ze geeft wel aan dat die en petit comité gevallen is, onder Europeanen. Het beweegt de rechters tot mildere vonnissen. Maar dan gooit ze het over een andere boeg, stelt Regnier vast. Belva verzoekt hem om Ntidendereza naar België over te brengen om daar zijn straf uit te zitten. Als ze nul op het rekest krijgt, kondigt ze hem aan dat ze Harroy én Regnier mee in het bad trekt (‘Je mettrai la tutelle dedans’). Twee maanden later beschuldigt Belva Regnier ervan haar en andere ambtenaren een uitdrukkelijk rechterlijk bevel gegeven te hebben, dat als een absolute noodzaak te begrijpen was (‘Elle m’a accusé d’avoir émis une injonction formelle, à la cantonade (…) se ramenant à un impératif catégorique’: ‘Il faut tuer Rwagasore’). Belva veronderstelt dat die woorden herhaald zijn, iemand ze opgepikt en als een bevel beschouwd heeft en de daad bij het woord gevoegd heeft. ‘Il faut tuer Rwagasore’, de uitspraak achtervolgt Regnier.
de christendemocratie roert zich
Laten we terugkeren naar de anonieme nota die Boudewijn Spaak toestuurt. De koning schaart zich achter een tekst waaruit elke nuance geweerd is en die Regniers uitspraak dik in de verf zet. Het springt in het oog dat zijn versie er niet toe doet. De schrijver van de nota veronachtzaamt ze, hoewel ze minstens gedeeltelijk bekend is aangezien hij op het proces in beroep op de getuigenbank verschenen is. Hij doet geen moeite heeft om rekening te houden met de context waarin de resident zijn woorden geuit heeft. Dat is evenmin het geval met de raadgevers van Boudewijn. Ze aarzelen niet om, nadat Boudewijn persoonlijk maar tevergeefs in zijn pen gekropen is om Spaak over de brug te krijgen, een anoniem stuk in te zetten om Kageorgis’ huid te redden. Ook al dienen ze Regnier als zondebok te offeren. De moordenaar moet en zal gratie krijgen. Wat is er hier aan de hand?
Eerst en vooral dit. In mijn boek heb ik aangetoond dat voormalig resident Robert Scheyven de auteur is van het document. Hij is een telg van een in de christendemocratie gepokte en gemazelde familie, waaruit ook zijn neef Raymond spruit. Die was in de regering-Eyskens tot in 1960 minister, belast met de economische en financiële zaken van Belgisch-Kongo en Ruanda-Urundi. Toen was de nog unitaire Christelijke Volkspartij verreweg de grootste politieke formatie, met tentakels in alle geledingen van de maatschappij en aan het Hof.
Ook Ntidendereza, het brein achter het complot, is een christendemocraat. Hij is de leider van de Parti Démocrate Chrétien, zusterpartij van de CVP. Tot de verkiezingsnederlaag van september 1961 draagt ze met de rond haar gebouwde alliantie van het Front Commun de Burundese regering. Zijn broer, Joseph Biroli, een van de andere samenzweerders tegen Rwagasore, is net als hij een topfiguur binnen de Burundese christendemocratie.
Het gerechtelijke dossier bevat meer signalen die op betrokkenheid van christendemocratische politici wijzen. In een gedetailleerd schriftelijk getuigenis refereert Rwagasore’s partner in zaken en politiek, Max Vanderslyen, aan voogdijambtenaren, een bank én een hooggeplaatst Belgisch politicus als steunpilaren en geldschieters van Ntidendereza’s PDC. Tot enkele dagen voor de moord zijn er grote sommen getransfereerd, schrijft Vanderslyen. Maar man en paard noemt hij niet als hij een christendemocratisch politicus op de korrel neemt. Wie zijn verklaring goed leest, begrijpt dat hij iemand met status in de Belgische christendemocratie op het oog heeft, die in de aanloop naar de onafhankelijkheid van de kolonie en de voogdijgebieden belangstelling had voor Centraal-Afrika, hetzij vanuit zijn functie of vanwege familiebanden. Vanderslyen is een dubieuze figuur, dat klopt, maar dat er aan zijn getuigenis geen vervolg gegeven is, is de zoveelste lacune in het onderzoek.
Er zijn met andere woorden aanwijzingen te over voor de hypothese dat de christendemocratie Boudewijn voor haar kar gespannen heeft, omdat ze nu eenmaal stevige redenen had om potjes gedekt te houden. Dat ze in haar slotoffensief Regniers “boutade” zonder blikken of blozen uitspeelt, bevestigt die thesis.
pleidooi voor een nieuwe “commissie-Lumumba”
100 % zekerheid kan ik niet bieden. In de eerste plaats vanwege de tekortkomingen in het gerechtelijke onderzoek en ook omdat niet alle documenten die licht kunnen werpen op de zaak opgedoken zijn. Toch kan ik, dankzij de analyse van Regniers notities en de aanvullende bronnen, mijn inzichten verfijnen. De steken die het parket heeft laten vallen, hebben zeker de betrokkenheid van de voogdijoverheid verdoezeld, dat wisten we al. We zijn er nu ook zeker van dat ze voorkomen hebben dat de christendemocratie in haar hemd kwam te staan. Door haar manoeuvres op het politieke schaakspel kwam Boudewijn aan zet. Of hij meer dan een pion was in haar handen is niet op te maken. Wel valt op hoe verbeten hij zich van zijn taak kwijt.
Om volledig zicht te krijgen op de zaak moeten tot dusver niet ontsloten documenten, zoals de pv’s van de ondervragingen van juni 1962, vrij worden gegeven. Daarnaast moeten nog levende betrokkenen, zoals procureur Bourguignon en Etienne Davignon, de rechterhand van Spaak in het dossier-Burundi, onder ede getuigenis afleggen. De voor de hand liggende werkwijze is een parlementair onderzoek, naar het model van de commissie-Lumumba. Hoog tijd om tot de oprichting ervan over te gaan. De enquête die de Kamer begin van de eeuw gevoerd heeft naar de rol van België in de moord op Congo’s eerste premier heeft eens en voorgoed duidelijkheid geschapen. De Congolezen zijn nu op de hoogte van wat er zich op 17 januari 1961 in Katanga afgespeeld heeft, wat de voorgeschiedenis is en welke verantwoordelijkheid België daarin draagt. De Burundezen hebben recht op soortgelijke informatie over wat er op 13 oktober van datzelfde jaar in Bujumbura gebeurd is.
Ik pleit er ook voor dat de waarheidscommissie in Burundi een ruimere periode bestrijkt dan wat het in het parlement ingediende wetsontwerp aangeeft. De onderzoeksperiode heeft 1 juli 1962 als begindatum, de dag van Burundi’s onafhankelijkheid. Op die manier blijft de commissie verstoken van de mogelijkheid om de moord op eerste minister Louis Rwagasore onder de loep te nemen. Dat zou een gemiste kans zijn.

Dossier gepubliceerd op de website http://www.mo.be :

Koning Boudewijn in de bres voor de christendemocraten
De Belgische Resident getuigt postuum over de moord op de Burundese Lumumba, Louis Rwagasore

Op 13 oktober 1961 vermoordt de Griek Jean Kageorgis de Burundese eerste minister Louis Rwagasore, zoon van mwami Mwambutsa, koning van Burundi. Prins Rwagasore heeft met zijn partij Uprona enkele weken daarvoor de verkiezingen gewonnen. Op basis van het archief van Buitenlandse Zaken kwam Guy POPPE tot de vaststelling dat er een onder de radar gebleven Belgische betrokkenheid is bij die moord . Belangrijk is een document dat koning Boudewijn minister van Buitenlandse Zaken Spaak toestuurt. Daarin staat dat de toenmalige resident van Burundi, Roberto Regnier, op 21 september, op een vergadering drie dagen na de verkiezingen, vlakaf stelt dat Rwagasore dood moet, “il faut tuer Rwagasore”. Aan Belgische kant is een officiële reactie op die onthullingen tot dusver uitgebleven.
Op die Belgische connectie gaat MO* verder in. Guy POPPE boort bronnen aan uit het archief van wijlen Regnier en dat van Mwambutsa. Ze bevatten voer voor de stelling dat Boudewijn de christendemocratie, die boter op haar hoofd had, uit de wind heeft willen zetten.

In het archief van Regnier vinden we documenten die licht werpen op de zaak en hoe hij ze ervaren heeft. In drie gevallen gaat het over notities van zijn hand. Het eerste document dateert van 20 april 1962. Regnier komt daarin terug op zijn getuigenis voor het hof van beroep twee dagen tevoren, de eerste keer dat hij verplicht is, o.m. middels een confrontatie met een andere kroongetuige, Madame Belva, om openlijk zijn uitspraken van vlak na de verkiezingen toe te lichten. Het tweede document dateert van 2 juli, enkele dagen nadat het parket in Brussel hem over zijn uitlatingen ondervraagd heeft. Lang na de gebeurtenissen heeft Regnier bovendien een tekst geschreven, waarin hij terugblikt op de zaak-Rwagasore en zijn betrokkenheid. Hij is niet gedateerd en kan ten vroegste in 1987 geschreven zijn. Regnier citeert n.l. de memoires van Resident-Generaal Harroy over Burundi, die dat jaar gepubliceerd zijn . Voor de laatste keer, met minstens vijfentwintig jaar afstand, sluit Regnier de affaire af.

De krachtlijnen van Regniers betoog

“Ik heb de woorden “il faut tuer Rwagasore” uitgesproken”. Zo rondt Regnier zijn verslag van 2 juli af. Daarmee bevestigt hij expliciet zijn verklaring van enkele dagen daarvoor, afgelegd in handen van commissaris Deuvaert. Samen ondervraagd met Hubert Léonard, kabinetschef van Rwagasore’s voorganger als eerste minister, Joseph Cimpaye, legt die hem precies die woorden in de mond. Regnier antwoordt dat hij Léonard niet tegenspreekt.
Maar wat Regnier zijn “onvoorzichtige woorden” noemt, plaatst hij in een context. Hij spreekt ze uit op een vergadering, bijeengeroepen op verzoek van Belva en Belgische ambtenaren. Allemaal staan ze in dienst van de electoraal afgestrafte regering-Cimpaye, gevormd op basis van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Die had het Front Commun, de alliantie rond de christendemocraten van de PDC, in het najaar van 1960 met vlag en wimpel gewonnen. De bijeenkomst heeft tot doel om na te gaan hoe regelmatig het verloop van de verkiezingen geweest is en of er reden is om beroep aan te tekenen of de uitslag nietig te laten verklaren.
Regnier legt de aanwezigen drie scenario’s voor. Hetzij overgaan tot gewelddadige actie en Rwagasore uit de weg ruimen – daarin past de fameuze zinsnede “il faut tuer Rwagasore” -, ofwel zich omvormen tot een krachtdadige oppositiepartij of zich ten dienste stellen van de nieuwe regering. In zijn laatste relaas, opgetekend vijfentwintig jaar na de feiten, schrijft Regnier dat hij de anderen overtuigt dat het derde scenario het goede is. Dat is dan ook het besluit van de vergadering, concludeert hij. In zijn eerste notities, opgetekend vlak na zijn getuigenis, geeft Regnier aan dat hij voor het hof van beroep lezing gegeven heeft van de richtlijnen voor samenwerking die hij op 21 september uitgevaardigd heeft voor de gewestbeheerders, met wie hij die dag vergaderd heeft. Samenwerking dus, Regniers keuze was duidelijk. Zelfs de dag voordien al, want de ontwerptekst die in het archief van Buitenlandse Zaken terug te vinden is, draagt de datum van 20 september.
Als Regnier op 11 oktober 1961, drie weken na de bewuste vergadering, Harroy die richtlijnen doorstuurt, beschrijft hij in een brief de stemming bij de groep : “De geëlektriseerde atmosfeer die de vergadering overheerste – resultaat van ontgoocheling en bitterheid als gevolg van de psychologische schok die de overwinning van Uprona teweeggebracht heeft -, heeft me niet in staat gesteld om ze tot een gezond realisme te bewegen, dat de reacties van onze gewestbeheerders had kunnen inspireren.” De ambtenaren waren begrijpelijk van de kaart na Rwagasore’s zege. De voogdijoverheid had immers ingezet op het Front Commun. Getuige zijn notities geeft Regnier voor het hof toe dat er fondsen gingen naar de regering om, zoals hij het formuleert, de bevolking informatie te verstekken, en voor politieke geschenken zoals de gebruiken dat vereisen.
De overheid wou te allen prijze voorkomen dat Rwagasore aan de macht zou komen en streefde, al van voor Regnier de functie van resident opnam, dat oogmerk na. Rwagasore genoot een afschuwelijke faam, lezen we in de notities, er zijn ongelukkige opmerkingen gemaakt als “dat zou een mooie opruiming zijn” en vergelijkingen als “un nouveau Lumumba”. Onvoorzichtige maar onschuldige boutades, schrijft Regnier, geuit tijdens de campagne, vóór de verkiezingen en nooit ten overstaan van Afrikanen.
Het verhaal dat Marie-Rose Capel me deed, vriendin van Belva en territoriaal agent – ze schreef de wapenvergunning voor de moordenaar Kageorgis uit maar dat tussen haakjes -, ligt in die lijn. In haar bijzijn, vertrouwde ze me toe, vertelden collega’s van haar Ntidendereza, minister in de regering-Cimpaye, leider van de PDC en spilfiguur in de samenzwering tegen Rwagasore, wat hij met de prins moest doen maar dat was vóór de verkiezingen en gebeurde op een gekscherende toon. Kortom, als we Capel en Regnier mogen geloven, na de verkiezingen was er over Rwagasore geen kwaad woord meer te horen.

De reactie van Ntidendereza

Voor de verkiezingen krijgt Ntidendereza tips hoe hij zich van zijn rivaal kan ontdoen en vlak na het verkiezingsdebacle licht Belva hem in over wat Regnier gezegd heeft. Ik heb het onmogelijke gedaan om vooral Ntidendereza te overtuigen zich neer te leggen bij het verdict, lezen we in Regniers notities. Op 2 oktober schrijft hij Harroy dat hij, na een onderhoud of tien, allemaal na 20 september, van Ntidendereza een grote toegeving verkregen heeft. Hij heeft Regnier beloofd dat hij het voldongen feit aanvaardt, hoewel hij oorspronkelijk vastbesloten was om met gewelddadige acties van start te gaan tegen de partij die gewonnen heeft en haar leiders.
Regnier verwittigt Harroy ook van zijn toezegging aan Ntidendereza dat de Resident-Generaal formeel tussenbeide zal komen om hem een baan te zoeken, in België, de Gemeenschappelijke Markt of een soortgelijke instelling en, mocht dat niet lukken, Ntidendereza bereid is om een beurs te aanvaarden. De gewelddadige actie waarovan hij het heeft, bestond niet uit een complot, preciseert Regnier, maar uit massa-acties, zoals de Parmehutu-partij er in Rwanda opgezet heeft.

Wat houdt « il faut tuer Rwagasore » in ?

Het hof van beroep verwijst naar de uitlating als een boutade en neemt ze in aanmerking als verzachtende omstandigheden voor de beklaagden. Voor Ntidendereza wijzigt het hof de oorspronkelijke doodstraf in twintig jaar. Laten we nagaan hoe de aanwezigen op de bewuste vergadering er tegenaan keken. We putten uit de fragmenten van de ondervragingen door het Brusselse parket van eind juni 1962, die Ludo de Witte, blijkens een recent artikel in Le Vif, uit de archieven van het Foreign Office opgedolven heeft.
Hoewel Regnier de woorden letterlijk uitgesproken heeft, moeten we ze niet interpreteren als een bevel of een opdracht, zegt Léonard, maar als een oplossing voor de politieke malaise waarin Burundi verkeerde. Regnier, gaat hij voort, bedoelde het ernstig maar stelde het niet voor als een uit te voeren handeling, hij vergeleek met Rwanda, waar politieke moorden gedekt waren. Door zijn uitspraken over Rwanda liet Regnier verstaan dat Rwagasore in dat land niet meer tot de levenden behoord zou hebben, vult Jacques Troquet, kabinetschef van Ntidendereza op Binnenlandse Zaken, aan. Wij waren allemaal in het diepst van ons hart ervan overtuigd dat Rwagasore een lastpost was, stelt hij, une nuisance. Net die term gebruikt ook Pierre Bibot, kabinetschef van de minister van Sociale Zaken, Nigane. Enkele dagen later noteert Regnier dat Bibot en Troquet zijn woorden terecht in de context van een discussie over de toekomstige aanpak geplaatst hebben.
Belva’s interpretatie staat in een verslag van de rechtbankzitting van 18 april dat we in het archief van Mwambutsa teruggevonden hebben. Regnier sprak volgens haar de woorden “il faut tuer Rwagasore” niet op een kernachtige manier uit maar kwam wel terug op het idee dat er niets zou werken zo lang Rwagasore er was. Dat gebeurde terwijl hij de vergelijking maakte tussen Burundi en Rwanda, wat hij, zei ze, de hele tijd deed.

De enigmatische Savine Belva

Over Belva heeft Regnier het uitvoerig, op allerhande plaatsen in zijn notities. Logisch, want ze brengt hem in opspraak. Laten we eerst dit vermelden. Belva is meer dan Ntidendereza’s secretaresse, dat horen we van verscheidene kanten. Dat aspect van haar relatie met hem moeten we meegeven omdat haar handelwijze anders moeilijk te begrijpen is. Ze vecht als een leeuwin voor de man van wiens onschuld ze overtuigd is, en overigens voor hem alleen. Als Regnier na jaren terugkijkt op de hele geschiedenis, dan herinnert hij zich hoe Belva hem opzoekt na het proces in eerste aanleg, verzoekt om Ntidendereza naar België over te brengen en op zijn negatieve antwoord reageert met de oproep : “Dan moet u me helpen om Ntidendereza te laten ontsnappen, de anderen kunnen me geen lor schelen (les autres, je m’en fous complètement)”.
Regnier heeft de grootste achting voor Belva. Hij vindt haar een opmerkenswaardige secretaresse, intelligent, actief en dynamisch. “J’aimerais l’avoir à mes côtés”, schrijft hij Harroy in oktober, hij zou haar best aan zijn zij willen hebben. Regnier is ervan overtuigd dat ze geen rol gespeeld heeft in de moord, zelfs niet bij het beramen ervan. Haar motieven zijn duidelijk voor hem. Ze is een fanatiekeling die koste wat kost het vel wil redden van Ntindendereza die ze vereert. Toch ligt het procedé dat ze nu bezigt, met name hem te bekladden, niet in haar lijn, besluit Regnier, ze is ofwel een fantaste of speelt komedie.
Belva’s tactiek op het proces, net als die van Ntidendereza’s verdediging, omschrijft Regnier als volgt : uitspraken en overpeinzingen aan tafel en in de bar synthetiseren, uitvergroten en in de mond leggen van welbepaalde, goed bekende en tot de voogdij behorende personen om zo Ntidendereza’s verantwoordelijkheid te minimaliseren. Maar Belva’s aanvallen blijven binnen de perken. Uit de mond van mr. Goffin noteert Regnier dat Ntidendereza’s advocaat niet zo ver wil gaan te beweren dat de Resident aan het moordcomplot deelgenomen heeft.
Maar na Regniers weigering om in te gaan op Belva’s verzoek Ntidendereza in België op te sluiten, krijgt hij van haar te horen dat ze in dat geval de voogdij, Harroy én Regnier, mee in het bad trekt (“je mettrai la tutelle dedans”). De bewoordingen van dat gesprek schrijft Regnier pas 25 jaar later op. Belva is in paniek, wanhopig en ten einde raad, lezen we. Louis Jaspers, adjunct van Regnier vanaf half november 1961 en tot in april 1962 nummer twee van de voogdijoverheid, heeft me dat bevestigd. Ofwel laat je Ntidendereza naar België vertrekken of ik verspreid het verhaal van je uitspraken, was volgens hem de inhoud van Belva’s oekaze aan Regniers adres.
Het is geen loze bedreiging. Meteen na zijn ondervraging door het Brusselse parket eind juni 1962 stelt Regnier vast dat Belva’s stellingen met de tijd evolueren. Voor het hof van beroep geeft ze aan dat de onvoorzichtige bewoordingen en petit comité gedaan zijn, onder Europeanen, haar incluis, en daar houdt het op. Twee maanden later beschuldigt Belva hem ervan ten overstaan van haar en andere ambtenaren openlijk een uitdrukkelijk rechterlijk bevel uitgesproken te hebben, dat als een absolute noodzaak te begrijpen was (“Elle m’a accusé d’avoir émis une injonction formelle, à la cantonade … se ramenant à un impératif catégorique” : “il faut tuer Rwagasore”). Op de vraag of er een verband is tussen die woorden en het complot, antwoordt ze : “Je ne sais pas”. Belva weet het dus niet maar veronderstelt dat de woorden herhaald zijn, iemand ze opgepikt en als een bevel beschouwd heeft en de daad bij het woord gevoegd heeft.
Wat Regnier in zijn notities van begin juli nog schrijft over die confrontatie met Belva is leerrijk omdat geen enkele andere bron daarvan melding maakt. Belva ontkent n.l. dat ze Kageorgis aan Regnier voorgesteld heeft en verklaart dat de Griek zijn beschuldigingen fout zijn. Kennelijk heeft het gerecht van hem opgevangen dat de Resident hem het bevel gegeven heeft om Rwagasore te vermoorden en gaat het daarop in. Regnier ontkent in alle toonaarden. In zijn versie heeft hij Kageorgis voor het eerst ontmoet toen hij op 18 april getuigenis aflegde en treedt Belva hem daarin bij. Merkwaardig dat Kageorgis in zijn formele klacht van eind juni, erop gericht om het onderzoek te hervatten en bijgevolg zijn executie uit te stellen, van die tenlastelegging aan Regniers adres geen gewag maakt. Dat doet hij wel als de procureur des konings, Jacques Bourguignon, hem in zijn cel opzoekt. Die brengt daarvan verslag uit. Dat aspect van de zaak vereist opheldering. De vrijgave van de proces-verbalen kan daarbij helpen.

Tijdens het gerechtelijke onderzoek

Uit de periode voor de zitting van 18 april vinden we geen enkele verklaring van Regnier terug in het archief van Buitenlandse Zaken. Officieel is hij nooit ondervraagd. Maar hij heeft Bourguignon wel ontmoet. Belva is op het proces daarop ingegaan. Van de auteur van het verslag dat we in Mwambutsa’s archief terugvinden, vernemen we meer. Op een zondagmiddag eind oktober 1961, enkele dagen na de moord, trekt Belva naar Bourguignon. Ze brengt verslag uit over de gewraakte vergadering. Bourguignon vraagt haar of ze een officiële verklaring af wil leggen maar, vertelt ze, “dat heb ik aan hem overgelaten”. Ze vond het belangrijk dat hij op de hoogte was. Bourguignon zegt haar ten slotte dat hij met Regnier over zijn uitspraken gaat praten. Achteraf heeft Regnier Belva gezegd “qu’il avait été appelé” door ene Casterman (of die persoon van wie de functie niet gepreciseerd is hem gebeld of bij zich geroepen heeft, is niet duidelijk).
Hij heeft op de zitting vermeden om op Belva’s toespelingen te antwoorden, schrijft Regnier. Hij is inderdaad een dag bij de procureur langsgegaan om een detail op te helderen waarin die belang stelde maar “was volledig vergeten waarover het ging”. 25 jaar na de feiten zijn Regniers aantekeningen accurater. Dan herinnert hij zich dat het om preciseringen van woorden ging, uitgesproken op een door Belva gevraagde vergadering na de verkiezingen. De bijeenkomst dus waarop Regnier zich over Rwagasore’s lot uitgelaten heeft. Van dat gesprek heeft hij geen notities genomen en is er geen schriftelijke neerslag, Regnier put uit zijn geheugen.

Regnier en Rwanda

Herhaaldelijk brengen getuigen Regniers verwijzingen naar Rwanda ter sprake. Voor zijn aanstelling naar Burundi was hij daar aan de slag als adjunct-resident. In zijn notities van april 1962 citeert hij zijn discussie met mr. Goffin en Belva voor de rechtbank. Hij ontkent formeel haar aantijging dat hij in de loop van de bewuste vergadering aangeraden heeft hetzij een commando van de voogdij ofwel traditionele krijgers in te zetten om Rwagasore uit de weg te ruimen. De advocaat legt Regnier ook zijn uitspraken aan Belva voor dat ze in Rwanda in een dergelijk geval als Rwagasore niet geaarzeld zouden hebben en zij als christen van abbé Novaux de absolutie zou krijgen. Woorden waarvan Regnier niet gelooft dat hij ze geuit heeft.
Telkens als ik bij de ministers van het Front Commun Rwanda ter sprake bracht, schrijft Regnier, dan raadde ik hen aan om, in plaats van op hun overwinning bij de gemeenteraadsverkiezingen te teren en op de voogdij te rekenen, campagne te voeren zoals de Parmehutu, door meetings in de heuvels te houden en gebruik te maken van moderne symbolen en slogans. Voor de goede orde : de radicale Hutu die in die partij de dienst uitmaakten, deinsden niet terug voor een moordpartij meer of minder. 25 jaar na datum noteert Regnier dat hij uit Rwanda weggegaan is omdat er voor mensen als hij gezien de toonaangevende rol van partijen als de Parmehutu geen plaats meer was.

De vooravond van de moord

In datzelfde document van 1987 of later heeft Regnier het voor het eerst over een diner bij hem thuis de 12e oktober, aan de vooravond van Rwagasore’s dood. Hij heeft hem uitgenodigd samen met Cimpaye en Malgras van het persagentschap Havas. Die is goed thuis in kringen van Uprona en heeft als bemiddelaar gefungeerd. Rwagasore is gul, valt Regnier op, en staat open voor zijn idee om vrijgevig te zijn. Aan het einde van de maaltijd laat Rwagasore horen dat hij de benoeming van Ntidendereza tot ambassadeur in Brussel op het oog heeft. Daarmee is Regnier de derde bron van dat verhaal, naast Ntidendereza’s zoon Aimé en advocaat Jules Chomé. De moord nà de verkiezingen was onnodig en dom, besluit Regnier, Rwagasore had na zijn overwinning het roer drastisch omgegooid. Maar uiteindelijk leidt Rwagasore’s tegemoetkomende houding na de verkiezingen nergens toe. Aan wat hij voorstaat, komt er een dag later een abrupt einde.

Toetsing

Als we Regniers notities en de verslagen uit het archief van Mwambutsa vergelijken met wat we al wisten over de Belgische connectie in de zaak-Rwagasore, dan vallen er enkele ongerijmdheden op. Zo vergist Regnier zich op een belangrijk punt. Bij het begin van het onderzoek heeft niemand van de verdachten Europese raadgevers ervan beschuldigd “onvoorzichtige” woorden uitgesproken te hebben, schrijft hij in zijn laatste reeks notities. Dat is onjuist. 48 u. na de moord, meteen na zijn aanhouding, legt een van de samenzweerders, Jean Ntakiyica, een verklaring af, waarin hij aangeeft wat Ntidendereza hem verteld heeft. Hetzij Harroy of Regnier, dat weet hij niet meer, heeft volgens hem Ntidendereza gewaarschuwd dat het parket onmogelijk de andere kant op kan kijken als ze op heterdaad betrapt worden nadat ze leiders van Uprona uit de weg geruimd hebben.
Wat flou blijft, is in welke mate Regnier in Rwanda een voorbeeld zag. De Hutu-revolutie, die de steun had van de voogdijoverheid, had er met veel bloedvergieten een einde gemaakt aan de Tutsi-monarchie. Maar op concrete vergelijkingen met Rwanda die hij zowel volgens Belva als Léonard en Troquet gemaakt heeft, gaat Regnier in zijn notities niet diep in. Andere uitspraken van hem over Rwanda, opgenomen in het document dat Boudewijn Spaak toestuurt, komen in Regniers aantekeningen niet ter sprake.
Bevreemdend is de verwarring die Regnier zaait over de datum van de vergadering waarop hij zijn fameuze uitlating doet. 21 september, stelt Boudewijns informant. Ook volgens een van de verslaggevers van Mwambutsa is het de 21e. Hij geeft wel aan dat er de 20e ook vergaderd is, door Léonard met de ontslagnemende Burundese ministers, zonder Regnier, en dat er achteraf doorvergaderd is in kleine groepjes. In zijn eerste notities, in april, is Regnier niet concreet. In zijn notities van juli prikt hij de 21e, maar in een bijlage schrijft hij 20 september. 25 jaar later kiest hij resoluut voor de 20e. Dat is niet zonder belang. Het ontwerp van de richtlijnen voor de gewestbeheerders, met wie hij de 21e bijeenkomt, dateert van 20 september. Was de bewuste vergadering de 20e, dan heeft hij misschien de afloop ervan afgewacht voor hij zijn ambtenaren medewerking met de nieuwe regering oplegt. Maar was de bijeenkomst de 21e, dan was Regnier inderdaad de dag voordien al overtuigd dat samenwerking onvermijdelijk was en moeten we zijn uitspraak “il faut tuer Rwagasore” minder letterlijk nemen.

Zette Boudewijn de christendemocraten uit de wind ?

Een belangrijke vraag is waarom Regniers uitspraak, los van de tijds- en situatiegebonden context waarin – toegegeven – hijzelf ze plaatst, zo’n eigen leven is gaan leiden. In die mate dat Boudewijn Spaak probeert te overtuigen om Kageorgis gratie te verlenen door hem een anoniem document te bezorgen, waarin Regniers “onvoorzichtige woorden” – en of, want uitgesproken heeft hij ze ! -, zo naakt als maar kan, centraal staan. Boudewijn schaart zich m.a.w. achter een tekst waaruit elke nuance geweerd is. Nochtans was Regnier op het proces in beroep op de getuigenbank verschenen en was zijn versie dus minstens gedeeltelijk bekend.
Hier belanden we weliswaar in het rijk van de hypotheses maar er zijn aanwijzingen genoeg dat Boudewijn voor de kar van de christendemocratie gespannen is. We gaan ervan uit dat voormalig resident Robert Scheyven de auteur is van het bewuste document. Hij is een telg van een in de christendemocratie gepokt en gemazelde familie, waaruit ook zijn neef Raymond spruit. Die was in de regering-Eyskens tot in 1960 minister, belast met de economische en financiële zaken van Belgisch Kongo en Ruanda-Urundi. Daarnaast is er het feit dat een samenzweerder als Ntidendereza, het brein achter het complot tegen Rwagasore, de spil was van de door Rwagasore verslagen zusterpartij van de Belgische CVP. Het gerechtelijke dossier bevat nog meer signalen die op verregaande betrokkenheid van christendemocratische politici in België wijzen. Ze hadden bijgevolg een stevig stel redenen om potjes gedekt te houden.
100 % zekerheid kan ik niet geven. Eens te meer stuit ik op de lacunes in het onderzoek die me in mijn boek lieten besluiten : “Je kunt er niet aan voorbij dat de Burundese justitie, op dat moment volledig in Belgische handen, alles wat Belgen impliceert, het doet er niet toe of ze in het moederland dan wel in Burundi actief zijn, zorgvuldig toedekt. En er zijn te veel aanwijzingen om er zomaar vanuit te gaan dat al die sporen nergens naartoe geleid zouden hebben.” Die conclusie kan ik nu verfijnen. Het gebrekkige onderzoek heeft voorkomen dat de christendemocratie in haar hemd kwam staan. Die heeft op haar beurt in het politieke schaakspel zo gemanoeuvreerd dat de koning aan zet was. Of Boudewijn meer dan een pion was in haar handen is niet op te maken. Wel valt op hoe verbeten hij zich van zijn taak kwijt.
Om volledig zicht te krijgen op de zaak-Rwagasore moet er toegang komen tot informatie uit documenten die tot dusver niet ontsloten zijn, zoals de proces-verbalen van de ondervragingen die eind juni 1962 in Brussel plaatsgevonden hebben. Daarnaast moeten nog levende betrokkenen, zoals procureur Bourguignon en Etienne Davignon, onder ede getuigenis afleggen. Het meest voor de hand liggende forum is een parlementaire onderzoekscommissie, naar het model van de commissie-Lumumba. Het is hoog tijd om tot de oprichting over te gaan.
Ik pleit ook ervoor dat de waarheidscommissie in Burundi een ruimere periode bestrijkt dan wat er in het parlement ingediende wetsontwerp vermeld staat. De onderzoeksperiode heeft 1 juli 1962 als startdatum, de dag dat Burundi onafhankelijk geworden is. Op die manier blijft de commissie verstoken van de mogelijkheid om de moord op eerste minister Louis Rwagasore onder de loep te nemen. Dat zou een gemiste kans zijn.

Wie is wie
Belva Sevine, 34, geboren Dulière. Gaat in Burundi door het leven onder de naam van haar man. Secretaresse en minnares van Ntidendereza.

Biroli Joseph, 32, broer van Ntidendereza. Als stichter van de christendemocratische PDC een van de leiders van het Front Commun, het gemeenschappelijk oppositiefront.

Boudewijn, koning van België van 1951 tot 1993.

Bourguignon Jacques, 39, eerste substituut van de procureur des Konings in Bujumbura. Tijdens het onderzoek naar de moord fungeert hij als procureur des Konings en op het proces als Openbaar Ministerie.

Cimpaye, Joseph. Eerste minister van Burundi tot de verkiezingen van september 1961. Zijn regering was gevormd op basis van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Die had het Front Commun, de alliantie rond de christendemocraten van de PDC, in het najaar van 1960 met vlag en wimpel gewonnen.

Davignon Etienne, 29, kabinetsmedewerker van minister Spaak, belast met Ruanda-Urundi. Groeit later uit tot een topman in de politiek en het zakenleven, o.m. als Europees commissaris, minister van staat en tegenwoordig als vicevoorzitter van Suez-Tractebel.

Front Commun, de alliantie rond de christendemocraten van de PDC. Wint in het najaar van 1960 met vlag en wimpel de gemeenteraadverkiezingen. Vormt de kern van de regering-Cimpaye die in september 1961 in de parlementsverkiezingen een nederlaag leidt tegen Rwagasore’s Uprona

Harroy Jean-Paul, vicegouverneur-generaal van Belgisch Kongo en gouverneur van Ruanda-Urundi vanaf 1955. Na de onafhankelijkheid van Kongo draagt hij de titel van resident-generaal van Ruanda-Urundi, tot 11 januari 1962.

Kageorgis Jean, Griek, 30, moordenaar van Rwagasore. Winkelbediende in Bujumbura. Daar ingeschreven sinds 1955 maar er al eerder werkzaam en woonachtig. Veroordeeld tot de doodstraf en terechtgesteld op 29 juni, de dag van de onafhankelijkheid van Burundi.

Lumumba Patrice, eerste minister van het onafhankelijke Congo. Vermoord na enkele maanden, in januari 1961. Een enquête van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers is tot het besluit gekomen dat België daarin een morele verantwoordelijkheid draagt.

Mwambutsa IV, 46, vader van Rwagasore. Mwami of koning van Burundi van 1915 tot bij zijn afzetting in 1966.

Ntakiyica Jean-Baptiste, 30, vaak gewoon Jean genoemd. Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken in de regering-Cimpaye. Ter dood veroordeeld door het Burundese gerecht en geëxecuteerd in januari 1963.

Ntidendereza Jean-Baptiste, 35, doorgaans gewoon Jean genoemd. Voorman van de christendemocratische PDC, spilfiguur van het Front Commun, minister van Binnenlandse Zaken in de regering-Cimpaye en als dusdanig een van Rwagasore’s politieke tegenstanders. Ter dood veroordeeld door het Burundese gerecht en geëxecuteerd in januari 1963.

PDC, Parti Démocrate Chrétien, belangrijkste partij binnen het Front Commun, waartegen Rwagasore’s Uprona in september 1961 de parlementsverkiezingen wint. Zusterpartij van de Belgische Christelijke Volkspartij.

Regnier Roberto, resident van Burundi van juli 1961 tot begin 1962. Was daarvoor in Rwanda vaan de slag als adjunct-resident.

Rwagasore Louis, geboren op 10 januari 1932 en dus 29 de dag van zijn dood. Oudste zoon van mwami Mwambutsa IV. Medeoprichter van UPRONA, de partij die in september 1961 de verkiezingen wint. Op 28 september verkozen tot eerste minister. Hij stond precies zestien dagen aan het hoofd van zijn regering toen Kageorgis hem op 13 oktober 1961 doodschoot.

Scheyven Robert, resident van Burundi van 1957 tot 1959. Later provinciaal commissaris. Neef van de christendemocratische politicus Raymond Scheyven.

Spaak Paul-Henri, 62, ten tijde van de moord op Rwagasore minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Lefèvre.

Uprona. Parti de l’Unité et du Progrès national. Partij van Rwagasore. Wint in september 1961 de parlementsverkiezingen.

Vanderslyen, Max. Belgisch zakenman. Raadgever van Rwagasore, zowel in zijn politieke als zijn zakelijke initiatieven.

Edit

Welkom ! – Bienvenue !

Posted: August 6, 2013 in Uncategorized


Welkom op mijn blog die aan mijn boek “De moord op RWAGASORE, de Burundese Lumumba” gewijd is.
Het boek is zowel in het Frans als het Nederlands uitgegeven.

Bienvenue sur mon blog, consacré à mon livre “L’assassinat de RWAGASORE, le LUMUMBA Burundais“. Il est à noter que le livre est sorti aussi bien en édition francophone qu’en édition néerlandophone.

Rwagasore-Roi Baudouin

Posted: August 6, 2013 in Uncategorized

(publié sur le site web http://www.mo.be, le lien étant
http://www.mo.be/fr/artikel/assassinat-au-burundi

Le Roi Baudouin au créneau pour les démocrates-chrétiens
Assassinat au Burundi
Guy Poppe
– Traduction par Lotte Raeijmakers et Patrick Jonniaux

Le 13 octobre 1961 le Grec Jean Kageorgis assassine le Premier ministre burundais Louis Rwagasore, fils de mwami Mwambutsa, le Roi du Burundi. Quelques semaines auparavant, le prince Rwagasore et son parti Uprona ont remporté les élections. Après examen des archives des Affaires étrangères, Guy Poppe a constaté en 2011 déjà, dans son livre L’assassinat de RWAGASORE, le LUMUMBA Burundais, une implication belge qui n’a jamais été révélée. Un document est particulièrement important : celui que le Roi Baudouin envoie au ministre des Affaires étrangères Paul-Henri Spaak. Il mentionne que le 21 septembre, lors d’une réunion trois jours après les élections, Roberto Regnier, le résident du Burundi à l’époque, affirme ouvertement qu’il veut la mort de Rwagasore : « il faut tuer Rwagasore ».
Côté belge, il n’y eut aucune réaction officielle à ces révélations. MO* entre dans les détails de la connexion belge. Guy Poppe découvrit des sources dans les archives de feu Regnier et dans celles de Mwambutsa. Elles contiennent des indices confirmant la thèse que Baudouin a voulu mettre la démocratie chrétienne, qui n’avait pas la conscience tranquille, à l’abri des soupçons. Raison de plus pour examiner enfin l’affaire à fond, après plus de cinquante ans.
C’est une curieuse lettre que le chef de cabinet de Baudouin, André Molitor, écrit le 26 juin 1962 au chef de cabinet de Paul-Henri Spaak, Robert Rothschild. En annexe se trouve un document anonyme de dix pages. L’auteur, qui est compétent en la matière, mentionne une réunion lors de laquelle le résident Regnier, face à des fonctionnaires de tutelle haut placés, prononce au vu et au su de tous les invités les mots « il faut tuer Rwagasore ». Cinq jours plus tard, le 1er juillet, le Burundi accède à l’indépendance et le Roi sait que Paul-Henri Spaak veut que l’assassin de Rwagasore soit exécuté avant cette date. Baudouin veut persuader le ministre de gracier Kageorgis et de commuer sa peine capitale en réclusion à perpétuité. Des tentatives précédentes se sont soldées par un échec. En dernier ressort, le Roi n’hésite pas à faire parvenir à Paul-Henri Spaak un rapport anonyme qui accable la Belgique. Il dévoile tout, notamment un jugement impitoyable du résident, qui représente la plus haute instance dans ce territoire de tutelle. Comme si Baudouin voulait rappeler à Paul-Henri Spaak que la Belgique porte la responsabilité de l’assassinat de Rwagasore et qu’il ne serait pas convenable que seul l’homme qui a appuyé sur la détente soit condamné.
Lacunes
À la lumière du dossier judiciaire dans l’affaire Rwagasore, il apparait que le parquet de Bujumbura n’a jamais interrogé Regnier, ni Harroy, le résident général du Ruanda-Urundi. Même si 48 heures après l’assassinat, immédiatement après son arrestation, l’un des conspirateurs a fait une déclaration dans laquelle il signale l’engagement possible de Harroy. Ce n’est que pendant le procès en appel en avril 1962, que le témoin-clé Madame Belva et Regnier s’affrontent. Le tribunal considère ses dires comme des boutades prononcées à la légère et en tient compte à titre de circonstance atténuante. L’affaire est close. L’assassin, ses complices et les autres conspirateurs, ont été appréhendés et punis. La justice ne revient plus sur des pistes qui indiquent une complicité belge.
Dans mon livre je suis parvenu à la conclusion, sur la base des lacunes de l’enquête, que «“il est plus qu’évident que la justice burundaise, à l’époque entièrement entre les mains des Belges, a passé soigneusement sous silence tout ce qui concerne les Belges, qu’ils soient actifs en métropole ou au Burundi. Il y a trop d’indices pour accepter que toutes ces pistes n’auraient mené à rien. »

A l’heure actuelle j’ai pu mettre la main sur des pièces qui peuvent éclaircir le rôle de l’autorité de tutelle belge dans l’affaire Rwagasore, notamment celui de Regnier. Dans ses archives nous avons trouvé trois documents de sa main. Le premier date du 20 avril 1962. Il revient sur son témoignage devant la cour d’appel l’avant-veille, la première fois qu’il a été obligé de commenter les propos qu’il avait tenus immédiatement après les élections. Le deuxième document date du 2 juillet, quelques jours après que le parquet de Bruxelles l’a interrogé. Ces interrogatoires ont lieu le jour de l’exécution de Kageorgis et la veille, en d’autres mots : assez tardivement pour qu’elles ne produisent plus aucun effet. Les procès-verbaux n’ont pas été divulgués jusqu’à présent. Au moins 25 ans après ces évènements, Regnier a en outre pris des notes non datées. Elles peuvent être écrites au plus tôt en 1987, parce qu’il cite les mémoires de Harroy concernant le Burundi. Mémoires qui ont été publiés au cours de cette année.
Ces documents nous fournissent un témoignage posthume du résident. En outre j’ai déniché des informations des archives de Mwambutsa, notamment des comptes-rendus du témoignage de Regnier devant la cour d’appel. J’ai également parlé avec des témoins de cette période. Ils ont clarifié certains aspects de l’affaire.
L’argumentation de Regnier
« J’ai prononcé les mots “Il faut tuer Rwagasore” » C’est ainsi que Regnier achève ses notes du 2 juillet. Mais il esquisse également le contexte de ses propos. À la réunion du 21 septembre il veut décider avec tous ceux qui étaient présents, tous des Belges, comment ils réagiront à la victoire électorale, à laquelle la tutelle ne s’attendait pas. Le désarroi est à son comble. L’autorité de tutelle était favorable à une victoire des adversaires de Rwagasore, qu’elle avait soutenus financièrement. Regnier signale la réputation détestable dont jouissait Rwagasore. Ceci explique pourquoi pendant la campagne on a fait des remarques malheureuses dans le genre de « ce serait un bon débarras » et des comparaisons comme « un nouveau Lumumba ». Il les appelle des boutades imprudentes mais anodines, prononcées avant les élections et jamais devant des Burundais.
Regnier présente trois scénarios aux fonctionnaires. La liquidation du prince y occupe une place essentielle. Non pas en tant que mission formelle, mais en tant qu’élément d’une possible solution pour se débarrasser de Rwagasore. Le résident lui-même est partisan de l’idée de se mettre à la disposition du nouveau gouvernement. Aussi choisit-on ce scénario.
Bref, même si la résistance à l’égard de Rwagasore avant les élections a été forte et même si on est accablé par sa victoire, l’autorité de tutelle amorce un tournant le 21 septembre et accepte le bouleversement électoral. Regnier convainc les adversaires du prince de faire de même. Ses propos imprudents (dixit Regnier) « Il faut tuer Rwagasore » relèvent d’un chapitre clôturé. Regnier tourne la page.
L’énigmatique Savine Belva
Il a fait un mauvais calcul en oubliant madame Belva. Elle est la secrétaire de Jean Ntidendereza, l’adversaire politique le plus important de Rwagasore, qui mènera le bal contre celui-ci dans la conspiration. Par ailleurs, Belva est plus que la collaboratrice de Ntidendereza et leur relation rend la façon d’agir de la femme compréhensible. Belva discrédite Regnier. Un dimanche après-midi fin octobre 1961, quelques jours après l’assassinat, elle se rend auprès du substitut Jacques Bourguignon, qui mène l’investigation et qui plus tard occupera la fonction de procureur du Roi en première instance. Elle le met au courant des propos de Regnier, mais elle ne fait pas de déclaration officielle. Bien que Bourguigon en discute avec Regnier, il n’existe pas de note, et encore moins un procès-verbal.
Pendant la séance de la cour d’appel du 18 avril, Belva revient sur le propos de Regnier. Elle admet toutefois que celui-ci s’est tenu en petit comité, parmi des Européens, ce qui incite les juges à se montrer plus indulgents. Ensuite, constate Regnier, elle change de cap. Elle le prie de transférer Ntidendereza en Belgique pour qu’il puisse y purger sa peine. Elle lui annonce que, si elle essuie un refus, elle compromettra Harroy comme Regnier (« Je mettrai la tutelle dedans »). Deux mois plus tard Belva accuse Regnier d’avoir émis une injonction en sa présence et celles d’autres fonctionnaires. Une injonction qui doit s’entendre comme une nécessité absolue (« Elle m’a accusé d’avoir émis une injonction formelle, à la cantonade (…) se ramenant à un impératif catégorique : ‘Il faut tuer Rwagasore’ »). Belva suppose que ces mots ont dû être répétés, que quelqu’un a pu les entendre, les prendre pour un ordre et passer à l’exécution. « Il faut tuer Rwagasore », ces propos poursuivent Regnier.
La démocratie chrétienne en action
Retour à la note anonyme que Baudouin envoie à Paul-Henri Spaak. Le Roi joint sa voix à un texte dans lequel toute nuance a disparu et qui met en évidence les paroles de Regnier. Ce qui saute aux yeux, c’est que sa version de ce dernier importe peu. L’auteur de la note la néglige, bien qu’elle soit connue au moins partiellement, étant donné que Regnier avait été cité à la barre au procès d’appel. L’auteur de la note ne se donne guère la peine de tenir compte du contexte dans lequel le résident a prononcé ces mots. Pas plus que les conseillers de Baudouin, d’ailleurs. Après que celui-ci a personnellement pris la plume, une tentative vaine, ils n’hésitent pas à utiliser une pièce anonyme pour sauver la peau de Kageorgis, même si Regnier doit servir de bouc émissaire. Il faut coûte que coûte que l’on gracie l’assassin. Que se passe-t-il ?
Avant tout un mot au sujet de Robert Scheyven, l’ancien résident. Dans mon livre, j’ai démontré qu’il est l’auteur de ce document. Il est le descendant d’une famille enracinée dans la démocratie chrétienne. Son cousin Raymond fut ministre dans le gouvernement Eyskens jusqu’en 1960, chargé des affaires économiques et financières du Congo belge et du Ruanda-Urundi. À cette époque, le Parti Social-Chrétien, encore unitaire, était de loin la plus grande formation politique, avec des ramifications à tous les niveaux de la société et de la Cour.
Ntidendereza, le cerveau du complot, est lui aussi démocrate chrétien, étant le leader du Parti Démocrate Chrétien, le parti frère au Burundi du PSC belge. Jusqu’à la défaite électorale de septembre 1961, ce parti et l’alliance du Front Commun construite autour de lui soutiennent le gouvernement burundais. Le frère de Ntidendereza, Joseph Biroli, l’un des autres conspirateurs contre Rwagasore, occupe tout comme lui un rôle primordial dans la démocratie chrétienne burundaise.
Le dossier judiciaire contient d’autres signes d’une implication d’hommes politiques de la démocratie chrétienne. Dans un témoignage écrit et détaillé, Max Vanderslyen, le partenaire économique et politique de Rwagasore, réfère à des fonctionnaires de tutelle, une banque et une personnalité politique belge comme des piliers et des bailleurs de fonds du PDC de Ntidendereza. Vanderslyen écrit que jusqu’à quelques jours avant l’assassinat des sommes importantes ont été transférées. Toutefois, lorsqu’il accuse un homme politique démocrate chrétien, il ne cite pas de nom. Qui lit bien sa déclaration, comprend qu’il vise une personne haut placée dans la démocratie chrétienne belge, quelqu’un qui en amont de l’indépendance de la colonie et des territoires de tutelle s’intéressait à l’Afrique Centrale, en raison soit de sa fonction, soit de ses liens familiaux. Il est vrai que Vanderslyen est une personnalité douteuse. Néanmoins, le fait qu’aucune suite n’a été donnée à son témoignage est une lacune de plus dans l’enquête.
Autrement dit, il y a abondance d’indices confirmant l’hypothèse que la démocratie chrétienne a instrumentalisé Baudouin, ayant des raisons importantes pour étouffer l’affaire. Le fait que dans l’offensive définitive elle ait carrément utilisé la « boutade » de Regnier contre lui, en est la confirmation.
Plaidoyer pour une nouvelle commission Lumumba
Rien n’est certain à cent pour cent. Cela est dû principalement aux défauts dans l’enquête judiciaire, mais aussi au fait que tous les documents qui peuvent éclaircir cette affaire n’ont pas encore surgi. Toutefois, grâce à l’analyse des notes de Regnier et des sources complémentaires, je suis capable d’affiner mes idées. Les erreurs que le parquet a commises ont surement dissimulé l’implication de l’autorité de tutelle, comme on le savait déjà. A l’heure actuelle, nous sommes certains qu’elles ont évité que la démocratie chrétienne ne soit démasquée. A la suite de ses manœuvres dans la partie d’échecs politique, c’était à Baudouin de jouer. Il est impossible de discerner s’il était plus qu’un pion, mais il est bien clair qu’il s’est acharné en s’acquittant de sa mission.
Pour que l’affaire soit claire, des documents qui jusqu’ici n’ont pas été divulgués, comme les procès-verbaux des interrogatoires de juin 1962, doivent être rendus publics. Par ailleurs, les intéressés qui sont encore en vie, comme le procureur Bourguignon et Etienne Davignon, la main droite de Paul-Henri Spaak dans le dossier Burundi, doivent témoigner sous serment. La méthode la plus évidente serait une enquête parlementaire, d’après le modèle de la commission Lumumba. Il est grand temps qu’on l’érige. L’enquête qu’a menée la Chambre au début du siècle sur le rôle de la Belgique dans l’assassinat du premier ministre de Congo a, une fois pour toutes, généré la transparence. A présent, les Congolais sont au courant de ce qui s’est déroulé le 17 janvier 1961 au Katanga, quels en sont les antécédents, et quel est la responsabilité de la Belgique dans cette affaire. Les Burundais ont droit aux mêmes informations sur ce qui s’est passé le 13 octobre de la même année à Bujumbura.
Aussi, je plaide pour que la commission de vérité et de réconciliation au Burundi fasse débuter la période à examiner plus tôt que prévu dans la proposition de loi introduite au parlement. Le texte actuel la fait commencer au 1er juillet 1962, jour de l’indépendance du Burundi. La commission est ainsi privée de la possibilité d’étudier les circonstances de l’assassinat du premier ministre Louis Rwagasore, commis le 13 octobre 1961. Ce serait une occasion manquée.